Vraagstelling WRM-examens 2.a en 2.b

21 juni 2017

IBKI krijgt zo nu en dan klachten over de vragen van de theorietoetsen 2.a Lesvoorbereiding en 2.b Lesuitvoering en beoordelen. Kandidaten geven bijvoorbeeld aan dat de antwoorden dicht bij elkaar liggen. Of ze zijn van mening dat er niet altijd duidelijk twee antwoorden fout zijn. Vanuit IBKI daarom in deze nieuwsbrief een korte toelichting.
 
De vragen zijn altijd gebaseerd op het brondocument op de IBKI-site, waarvan het belangrijk is dit goed te bestuderen. Daarnaast is het van belang een goede opleider te hebben, die voorbereidt op de vraagstellingen met casusvoorbeelden. Het gaat in deze toets (net zoals in WRM-toets 1.a) namelijk niet alleen om het toetsen van kennis, maar daarnaast minstens zoveel om het toetsen van inzicht. Juist dat inzicht toetst IBKI met casussituaties, waarin de kandidaat bijvoorbeeld gevraagd wordt wat hij didactisch gezien het beste kan doen. Dit blijkt ook uit het brondocument, waarin steeds voorbeelden van oorzaak-gevolgsituaties of middel-doelsituaties genoemd worden. De aankomend instructeur moet bijvoorbeeld in staat zijn onderscheid te maken tussen de verschillende beheersingsniveaus waarop de leerling kan functioneren. Hij moet vervolgens in staat zijn om zijn instructeursgedrag af te stemmen op het beheersingsniveau van de leerling uit de vraag.
 
Het is onze ervaring dat kandidaten die casusvragen lang niet altijd scherp genoeg lezen. In de casusvragen wordt beknopt informatie over de leerling gegeven, er wordt vermeld in welke fase hij zit, en daarna wordt een situatie beschreven. Vaak moet de kandidaat daarbij ook de foto bij de vraag interpreteren. Het goede antwoord op de examenvraag moet slaan op de informatie over de leerling (beginnend/gevorderd enz.), fase van opleiding en de specifieke verkeerssituatie. Kandidaten kiezen vaak ook voor antwoorden die vooral instructie zijn, terwijl bij gevorderde leerlingen het coachen meer centraal moet staan.
 
De vragen zijn dus voor een groot deel inzichtvragen. Het zijn zeker geen instinkvragen, maar vragen die op meer een beroep doen dan alleen het onthouden van kennis. De examenopgavencommissie kiest bewust voor een deel inzicht- en toepassingsvragen, omdat het toetsen van pure feitenkennis onvoldoende is. Ook dan is er beslist maar één antwoord goed. Er is bijvoorbeeld ook bij een casusvraag over parkeren in een vak, één vak waar het beste mee kan worden begonnen.
 
We weten overigens uit ervaring van opleiders, dat het heel zinvol is al vóór de stage, ter voorbereiding op de toetsen 2.a en 2.b, een aantal keren ‘passief’ mee te rijden met gegeven rijlessen, juist vanwege die inzichtvragen. Dat kan kandidaten helpen, naast bestudering van brondocument en leerstof.